Zo configureert u een Ajax-systeem volgens de EN 50131-vereisten

Bijgewerkt op

Om een Ajax-systeem te laten voldoen aan de vereisten van EN 50131 is het nodig om een aantal functies te configureren. Volg voor de juiste configuratie de instructies in het artikel.

De functies voor EN50131 kunnen alleen worden geconfigureerd in de nieuwste versies van de Ajax PRO-apps:

  • PRO Desktop;
  • Ajax PRO : Tool for Engineers.

Hub-instellingen

Selecteer de hub in de lijst en ga naar het menu Instellingen Service.

Serververbinding

Stel voor installaties die Grade 3 vereisen de parameters alarmvertraging bij mislukte verbinding met server en de hub-server polling-interval in het menu serververbinding in. De waarden moeten zodanig zijn ingesteld dat de tijd voor het verzenden van een melding van communicatieverlies met de hub in totaal minder dan 180 seconden bedraagt. Dit wordt berekend met de formule:

3 × Hub-Server polling-interval + alarmvertraging bij mislukte verbinding met server.

Als beide parameters bijvoorbeeld zijn ingesteld op 40 seconden, is de tijd voor het verzenden van een melding over het verbreken van de verbinding tussen de hub en de server 160 seconden.

Integriteitscontrole van het systeem

De functie integriteitscontrole van het systeem biedt een herziening van de status van de beveiligingsapparaten voordat ze worden ingeschakeld. Meer informatie over deze functie vindt u in dit artikel.

Herstel na alarm

De functie herstel na alarm voorkomt dat het systeem wordt ingeschakeld bij een alarm of storing. Om het systeem te activeren, moet een geautoriseerde gebruiker of PRO het eerst herstellen.

U kunt selecteren voor welke alarmen en storingen het systeem moet worden hersteld.

Om te voldoen aan Grade 3 voor EN 50131, mag alleen een PRO toegang hebben om sabotagealarmen en storingen te herstellen.

Vertraging bij verzenden van alarm

Met de functie vertraging bij verzenden van alarm is het mogelijk om het verzenden van een alarm naar de meldkamer te vertragen als de vertraging bij binnenkomst is verlopen, maar de gebruiker niet genoeg tijd had om het systeem te deactiveren. Wanneer de vertraging afloopt, geeft het systeem plaatselijk een alarm af: het activeert alleen de sirenes, maar stuurt het alarm niet door naar de meldkamer en andere gebruikers. Dit geeft de gebruiker extra tijd om het systeem uit te schakelen en de meldkamer ontvangt geen vals alarm.

Volgens EN 50131-1 moet de vertraging bij verzenden van alarm minimaal 30 seconden duren.

Het proces voor uitschakelen instellen volgens EN 50131

  1. Ga in de Ajax PRO-app naar:
    1. HubInstellingen ServiceIn- en uitschakelproces
  2. Stel de vertraging bij verzenden van alarm in tussen de 30 tot 60 seconden (in stappen van 5 seconden).

    De vertraging bij verzenden van alarm begint pas nadat de vertraging bij binnenkomst is verstreken.

  3. Schakel de optie geen alarm verzenden bij uitschakeling tijdens vertraging in. Indien ingeschakeld, zal het systeem geen alarm verzenden als het uitgeschakeld wordt terwijl de vertraging bij verzenden van alarm duurt.
  4. Activeer indien nodig de optie voor uitschakelen met bediendeel. Met deze optie kan het bediendeel worden gebruikt als een alternatief apparaat voor het uitschakelen van het systeem.
  5. Klik op terug om de instellingen op te slaan.

Jeweller/Fibra polling-interval

Hoe vaak de hub communiceert met apparaten en hoe snel een verbindingsverlies wordt gedetecteerd, hangt af van het polling-interval tussen de hub en de detector. Dit kan worden geconfigureerd in het hubmenu voor Jeweller of Jeweller/Fibra.

De tijd die nodig is voor het verzenden van een bericht over het verbindingsverlies tussen de hub en het apparaat wordt berekend met de volgende formule:

Polling-interval van detectoren × Aantal onbeantwoorde pings om verbindingsfout te bepalen.

Om te voldoen aan Grade 2 voor EN 50131-1 moet deze tijd 20 minuten of minder bedragen en 100 seconden of minder bedragen om te voldoen aan Grade 3.

Led-indicatie

Configureer de led-indicatie van de hub in overeenstemming met EN 50131-1.

  1. Ga naar:
    1. HubInstellingen ServiceLed-indicatie
  2. Kies waarschuwingen en storingen.
  3. Klik op terug om de instellingen op te slaan.

Meer informatie over de led-indicatie van waarschuwingen en storingen vindt u hier.

Instellingen voor inbraakapparaten

Stel de vertraging bij binnenkomst en vertraging bij vertrek in voor alle inbraakapparaten (bijv. bewegings-, openings-, glasbreukdetectoren, enz.).

Om te voldoen aan EN 50131-1 moet de vertraging bij vertrek 45 seconden of minder duren.

Hoe vertragingen instellen in een Ajax-systeem

  1. Ga naar het menu apparaten .
  2. Selecteer het gewenste apparaat of de detector waarvoor u de alarmvertraging wilt instellen.
  3. Ga naar Instellingen door op het tandwielpictogram te klikken.
  4. Ga naar bedrijfsmodus en selecteer ingang/uitgang.
  5. Geef de duur van de vertraging bij binnenkomst en de vertraging bij vertrek op, ergens tussen de 5 en 120 seconden.
  6. Ga naar waarschuwing met sirene en schakel de optie in voor een van deze gebeurtenissen (hangt af van het apparaat):
    • Als beweging wordt gedetecteerd.
    • Als opening gedetecteerd wordt.
    • Als glasbreuk wordt gedetecteerd, etc.
  7. Klik op terug om de instellingen op te slaan.

Pas de sirene-instellingen aan bij gebruik van vertraging bij binnenkomst/vertrek.

Instellingen van het bediendeel

Activeer en configureer de functie voor ongeautoriseerde toegang auto-lock voor alle bediendelen in het Ajax-systeem. Indien deze functie is ingeschakeld, wordt het bediendeel vergrendeld voor de tijd die is opgegeven in de instellingen als er binnen een minuut drie keer een verkeerde code wordt ingevoerd. Gedurende deze tijd zal de hub alle codes negeren en de gebruikers van het beveiligingssysteem informeren over een poging om de code te raden.

Een gebruiker of PRO met beheerdersrechten kan het bediendeel ontgrendelen in de Ajax-app. Ontgrendelen gebeurt ook automatisch na afloop van de vergrendelingstijd die in de instellingen is opgegeven.

Hoe de ongeautoriseerde toegang auto-lock instellen

  1. Ga naar het menu apparaten .
  2. Selecteer het bediendeel.
  3. Ga naar de instellingen van het bediendeel door op het tandwielpictogram te klikken.
  4. Schakel de optie ongeautoriseerde toegang auto-lock in.
  5. Selecteer hoe lang het bediendeel vergrendeld moet zijn in het menu auto-lock-tijd, min: van 3 tot 180 minuten.

    Volgens EN 50131-3 moet det auto-lock-tijd minstens 90 seconden bedragen.
    In de Ajax-app is auto-lock-tijd standaard 3 minuten.

  6. Klik op terug om de instellingen op te slaan.
  7. Herhaal stappen 1 tot en met 6 voor alle bediendelen in het systeem.

Voor installaties die Grade 3 vereisen moet men een bediendeelcode gebruiken van 5 of 6 cijfers.

Instellingen van de Sirene

Hoe het volume voor de binnensirene instellen

  1. Ga naar het menu apparaten .
  2. Selecteer de binnensirene.
  3. Ga naar de instellingen van het sirene door op het tandwielpictogram te klikken.
  4. Stel het niveau van het alarmvolume in: luid of zeer luid.

    Volgens EN 50131-4 moet het interne akoestische geluidsniveau minstens 80 dB bedragen. Dit geluidsniveau is gelijk aan het luide alarmvolume in het Ajax-systeem.

  5. Klik op terug om de instellingen op te slaan.
  6. Herhaal stappen 1 tot en met 5 voor alle binnensirenes in het systeem.

Hoe het volume voor de buitensirene instellen

  1. Ga naar het menu apparaten .
  2. Selecteer de buitensirene.
  3. Ga naar de instellingen van het sirene door op het tandwielpictogram te klikken.
  4. Stel het niveau van het alarmvolume in: luid of zeer luid.

    Volgens EN 50131-4 moet het externe akoestische geluidsniveau minstens 100 dB bedragen. Dit geluidsniveau is gelijk aan het luide alarmvolume in het Ajax-systeem.

  5. Klik op terug om de instellingen op te slaan.
  6. Herhaal stappen 1 tot en met 5 voor alle buitensirenes in het systeem.

De functie voor akoestisch alarm instellen

Volgens de EN 50131-1 norm moet de sirene die buiten het bewaakte gebouw is geïnstalleerd een alarmsignaal afgeven met een geluidssignaal. Deze eis heeft alleen betrekking op sirenes die zijn toegewezen aan de groep of het systeem in de ingeschakelde modus.

  1. Ga naar het menu apparaten en selecteer:
    1. HubInstellingen ServiceGeluiden en waarschuwingen
  2. Activeer als het deksel open is (hub of detector).
  3. Ga naar het menu apparaten .
  4. Selecteer de sirene.
  5. Ga naar de instellingen van het sirene door op het tandwielpictogram te klikken.
  6. Ga naar het menu-item akoestisch alarm en selecteer de optie alleen wanneer ingeschakeld.
  7. Herhaal stappen 3 tot 6 voor alle sirenes waarop u de functie voor het akoestisch alarm wilt activeren.

Hoe de duur van het akoestisch alarm van de sirene instellen

Volgens de EN 50131-3 norm moet de duur van sirenes vallen tussen de 90 seconden en 15 minuten.

  1. Ga naar het menu apparaten .
  2. Selecteer de sirene.
  3. Ga naar Instellingen door op het tandwielpictogram te klikken.
  4. Stel de alarmduur in op anderhalve minuut of meer.
  5. Klik op terug om de instellingen op te slaan.
  6. Herhaal stappen 1 tot 5 voor alle sirenes waarop u de functie voor het akoestisch alarm wilt activeren.

Pieptooninstellingen van de sirene

  1. Ga naar het menu apparaten .
  2. Selecteer de sirene.
  3. Ga naar Instellingen door op het tandwielpictogram te klikken.
  4. Ga naar het menu Pieptooninstellingen.
  5. Schakel de in– en uitloopvertragingenin de sectie pieptoon bij vertragingen.
  6. Stel het volume van de pieptoon in.

    Het niveau van het volume van de pieptoon moet hetzelfde zijn als het alarmvolume van de binnen– en buiten sirenes.

  7. Klik op terug om de instellingen op te slaan.
  8. Herhaal de stappen 1 tot 7 voor alle andere sirenes waarvoor u de notificaties wilt inschakelen.

Houd er rekening mee dat door de permanente deactivering te gebruiken uw systeem kan voldoen aan EN 50131 met een lagere beveiligingsgraad.

Vereisten voor reservebatterijen

Voor installaties die EN50131 Grade 3 vereisen moet de stand-by bedrijfstijd van het systeem minstens 60 uur bedragen. Gebruik de Fibra-voedingscalculator om het maximale stroomverbruik van Hub Hybrid te controleren. Als het 115 mA overschrijdt, gebruik dan LineSupply Fibra om het stroomverbruik te verdelen tussen de module en de Hub Hybrid.

Spelling error report

The following text will be sent to our editors: